Dispuutsavond: mobiliteitsmanagement en multimodaliteit

Op vrijdag 1 juni kwam het dispuut bij elkaar om over het volgende onderwerp te praten: mobiliteitsmanagement en multimodaliteit. Twee strategieën met hetzelfde doel: het stimuleren van duurzame mobiliteit door alternatieven van de auto aantrekkelijk te maken.

Twee leden, Jimme en Joleen, hebben in hun bacheloronderzoek onderzoek gedaan naar multimodaliteit. De conclusie van Joleen luidt: multimodaliteit (multimodale bereikbaarheid)  is nodig als stimulans voor bedrijven om mobiliteitsmanagement in te voeren. De conclusie van Jimme luidt: om het investeren in multimodaliteit (multimodale knooppunten) tot een succes te maken is mobiliteitsmanagement gewenst. Multimodaliteit en mobiliteitsmanagement is dus een soort kip en ei verhaal, het kan niet bestaan zonder elkaar.

De discussie leidde tot kritische inzichten waar in de onderzoeken nog naar gekeken moet worden. Daarnaast stond één vraag centraal: De overheid heeft een faciliterende rol in het investeren in multimodaliteit. De bedrijven zijn de initiatiefnemers als het gaat om mobiliteitsmanagement. Hoe kan de samenwerking tussen overheid en bedrijven leiden tot optimalisatie van beide strategieën?

Dispuutsavond: Nieuwe mogelijkheden voor financiering van ruimtelijke ontwikkelingen

Gebiedsontwikkeling wordt vaak geïnterpreteerd als het integraal en gelijktijdig tot ontwikkeling brengen van grote gebieden. Een bekend voorbeelden is natuurlijk de Blauwe Stad. Het is echter twijfelachtig of dit soort grootschalige en snelle ontwikkelingen uiteindelijk op de lange termijn voldoende kwaliteit zullen blijken te hebben. Ze lijken toch vooral vanuit een economisch perspectief tot ontwikkeling te zijn gekomen, waarbij vooral op korte en middellange termijn gedacht is.

Ondertussen staan de kantoren- en woningmarkt er een stuk minder florissant bij en lijken de geldstromen voor dergelijke grootschalige ontwikkelingen op te drogen. Ook overheden zitten, beïnvloedt door bezuinigingen, een stuk krapper bij kas. De klassieke, op winst georiënteerde gebiedsontwikkeling lijkt daarmee verleden tijd. De essentie van gebiedsontwikkeling is echter niet minder waardevol geworden: het maken ruimtelijke plannen waarbij ecologische, economische en sociale factoren op een integrale wijze worden meegenomen in afwegingen en besluitvorming. Dit zou toch tot goede plannen moeten lijden.

Op zoek naar nieuwe financieringsmogelijkheden dus. En nu het korte termijn-denken van vastgoedpartijen minder de boventoon voert worden er wellicht mogelijkheden gecreëerd om eens aan kwalitatieve ontwikkeling op lange termijn te gaan denken. Nieuwe partijen die om de hoek komen kijken zouden bijvoorbeeld zorgverzekeraars kunnen zijn: een partij met een groot belang bij gezonde woonomgevingen. Of gaan we een richting uit waarbij burgers door middel van ‘crowdfunding’ zelf gaan investering in de kwaliteit van hun leefomgeving.

Hoe dan ook, de stelling:

Het afhaken van financiering op basis van vastgoed- en grondexploitatie in gebiedsontwikkeling biedt kansen om het integrale potentieel van gebiedsontwikkeling volledig te benutten. Nieuwe financieringsvormen zullen leiden tot een kwaliteitsimpuls voor ruimtelijke ontwikkeling en een gelijkwaardige afweging van economische, ecologische en sociale effecten van plannen.

Bijlagen:

– Artikel RO-magazine over nieuwe verdienmogelijkheden in gebiedsontwikkeling

Artikel Ruimtevolk over Crowdfunding

De Onzichtbare Steden

 3 februari 2012 stond de dispuutavond van Ekistics in het teken van het boek De Onzichtbare Steden door Italo Calvino. Geïnspireerd door verschillende hoofdstukken werd een drietal stellingen tegen het ligt gehouden.

Italo Calvino werd in 1923 geboren op Cuba en studeerde literatuur in Turijn. De onzichtbare steden is een magisch-realistische roman over Marco Polo en de reisverhalen die hij stuurde aan de keizer der Tartaren, Kublai Kan. Het boek heeft twee verhaallijnen. De ene verhaallijn bestaat uit losse reisverhalen van Marco Polo aan de keizer. De andere verhaallijn is het begin en einde van ieder hoofdstuk. Dit deel is een beschrijvend stuk over hoe de keizer denkt over de verhalen van Marco Polo. De reisverhalen van Marco Polo zijn eigenlijk verhalen over sociale constructies van zijn thuisplaats Venetië.

Het debat concentreerde zich op een aantal verhalen uit de eerste verhaallijn van het boek. Het gaat om de verhalen over de steden Anastasia, Isaura, Maurilia en Zenobia. Welke wijsheden kunnen we vergaren uit de steden als sociale constructen die Marco Polo ons voorlegt? En als we de constructen doortrekken in de werkelijkheid, welke elementen herkennen we dan in steden van nu? Aan de hand van deze verhalen volgde een debat.

Anastasia: Als bewoners slechts slaven zijn van de steden waarin zij wonen en werken en hun verlangens ontstaan uit de ruimte die de stad daartoe biedt, dan leidt participatie uitsluitend tot de bekende weg. Als wij aan zouden nemen dat de planoloog los staat van deze gestuurde verlangens, welke rol zou hij dan dienen te spelen?

Stelling: Participatieve planning is geen uitkomst voor planning omdat bewoners niet in staat zijn (nieuwe) mogelijkheden te zien.

Vervolgstelling: De planoloog dient in participatieve planningsvormen enkel alternatieve mogelijkheden (extra) aan te prijzen (de meest voor de hand liggende prijzen bewoners (toch) zelf aan)

Maurilia: Ook bij stadsontwikkeling zijn heden en verleden onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toch heeft de stad van nu nog maar ten delen verbinding met die van vroeger.  Welke stijl van stedelijke uitbreiding had van jou nog wel wat langer mogen aanhouden?

Stelling: Stadsontwikkeling die ingebed is en raakvlak heeft met het verleden is beter dan stadsontwikkeling die geen verbindingen legt met het vroegere gebruiken en kwaliteiten.

Zenobia: Steden ontwikkelen zich aan de hand van wensen. Die wensen zijn soms ontstaan door redenen(tekorten, overschotten, bedreigingen enz.) die al niet meer bestaan. Maar als niettemin de wensen nog bestaan, zal er ook de wil zijn om nog aan die wensen te voldoen.

Stelling: De wens om te ontwikkelen is belangrijker dan de reden om te ontwikkelen.

Zorgeloos wonen

Vergrijzing is een veel besproken onderwerp binnen ons werkveld. Het onderwerp wordt echter vaak als demografisch onderwerp benaderd. Misschien wel ten onrechte, het zou ook een grote verandering teweeg kunnen brengen in het ruimtegebruik, concrete uitspaken worden daarbij vaak vermeden. Meerdere architectenbureaus en zorginstellingen ontwikkelden in de laatste decennia een concept voor ouderenwoningen. Is het tijd voor een concept op planologisch niveau?

Neem bijvoorbeeld Piramidas (http://www.pyramidas.nl/de_uitwerking/het_basisconcept/index.shtml  ), die met een concept kwam voor huisvesting op het platteland met woonflats. De gedachte was om vele mensen een bijzondere woonplek te bieden in het platteland. Bij de presentatie van de lezing die zij vorig jaar gaven voor Ibn Battuta werd duidelijk dat het concept ook best een woonconcept kon zijn voor ouderen. Daarbij was het idee dat jongere ouderen net zo geïnteresseerd zouden zijn als oude ouderen. Zo kunnen ouderen al langere tijd in een woning wonen, die ook geschikt is voor zorg aan huis (zodra het nodig is). Hierdoor zouden ook thuiszorg en aanleunzorg binnen bereisbare afstanden op het platteland kunnen worden gerealiseerd.

De zorgcirkel(www.zorgcirkel.com ) specialiseert zich vooral op de ouderenzorg. Het concept is ontstaan uit de gedachte om senioren thuis te kunnen voorzien in zowel simpele als complexe zorg. Zodat senioren zo lang mogelijk in hun eigen woning kunnen blijven wonen. Het is een soort aanvullende thuiszorg. Daarnaast zijn er meerdere woningen waarnaar de senior kan verhuizen, deze woningen zijn niet alleen in appartementencomplexen maar ook losstaande huizen. Zo kan er in de eigen woonomgeving zorg aangeboden worden.

Buiten deze projecten zijn er nog veel meer voorbeelden. Zie bijvoorbeeld:
http://www.tctubantia.nl/regio/reggestreek/9427683/Plan-Egede-landelijk-wonen-met-zorg-dichtbij.ece
Over landelijk wonen met zorg.
http://www.bndestem.nl/regio/bergenopzoom/7768366/Steeds-langer-thuis-wonen-is-de-toekomst.ece

Voorspelling dat zorgtehuizen verdwijnen en thuis wonen de toekomst is.

De keerzijde aan deze projecten is dat het moeilijk te voorzien is welke mensen uiteindelijk gebruik wensen/kunnen maken van deze woonvormen, uit navraag blijkt de zorgcirkel toch pas mensen te huisvesten als ze echt zorg nodig hebben en niet al in hun jongere ouder jaren. Waardoor het concept niet veel verschilt van een aanleunwoning. Volgens het laatste artikel zou het toch zo zijn dat mensen meer thuis blijven wonen en de zorgtehuizen verdwijnen. Zou dan de directe leefomgeving in heel Nederland niet geleidelijk aangepast moeten worden aan het gebruik door ouderen? Of zouden we toch ontwikkelingen moeten stimuleren in projectvorm?

Stelling: Het is niet de moeite waard om woonomgevingen op voorhand aan te passen aan het gebruik van ouderen, de woonruimte is belangrijker.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vrijdag is de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte onderwerp van debat. Deze visie-in-ontwerp is duidelijk vanuit een ander politiek perspectief tot stand gekomen.

Het rijk geeft geen grandioze land dekkende visie, het benoemt een aantal beleidshoofdlijnen en ondersteunt een beperkt aantal economisch speerpunten die van belang zijn voor de internationale concurrentiepositie van Nederland. De verdere invulling wordt overgelaten aan de provincies en gemeente. De regio’s worden verantwoordelijk voor de inhoud. Het huis van Thorbecke wankelt, bij deze liberaliseringsslag in de planologie. Dat is mooi, want dat geeft ruimte voor innovatie. Maar het is ook angstaanjagend. Het rijk vertelt niet welke koers regio’s (kunnen en/of moeten) varen. Als men buiten de speerpunten wat wil, moet ‘men-uit-de-regio’ grotendeels zelf uitzoeken welke koers te varen. Is dit een kans? Of doen we een stap in de verkeerde richting?

 

De stelling voor vrijdag is:

De ontwerpstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft planologisch en ruimtelijk ontwikkelend Nederland een schop onder zijn kont: regio’s worden meer als voorheen uitgedaagd hun eigen ontwikkelingspotentieel te ontdekken en te mobiliiseren 

In de bijlage de samenvatting van de structuurvisie. Ook een ex-ante evaluatie van het PBL met korte reacties van een aantal bobo’s uit de vakwereld.

 

De link naar zowel de samenvatting als de gehele visie vind je hier:

 

http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ruimte-en-mobiliteit/documenten-en-publicaties/rapporten/2011/07/13/samenvatting-ontwerp-structuurvisie-infrastructuur-en-ruimte-nl.html

 

Verder is dit opiniestuk leuk om te lezen:

http://ruimtevolk.nl/blog/zelfredzaamheid-is-het-mantra-in-de-ruimtelijke-ordening/

De Spontane Stad

Onder het genot van een heerlijk en de nodige fijne wijnen werd er tijdens deze laatste bijeenkomst voor het zomerreces over het idee van de spontane stad met elkaar gesproken.

De stelling: De Spontane Stad dient centraal komen te staan in de ontwikkeling van steden in Nederland om de diversiteit en veranderlijkheid die de samenleving kenmerkt te erkennen en te benutten, ten einde een rijk en duurzaam stadsleven te creëren.

Discussieavond: openbare ruimte in Nedeland

Het thema tijdens de maandelijkse dispuutsavond is dit keer: de openbare ruimte in Nederland.

Dit keer geen stelling maar wél huiswerk (=stof tot nadenken):
1. Wat versta jij onder ‘de openbare ruimte’?
2. Wat is het belang van ‘openbare ruimte’ (bijvoorbeeld in een stad)?
3. Wat zou de rol van overheid moeten zijn (als jij mocht bepalen) wat betreft de openbare ruimte, dus: rijksoverheid-provincie-gemeente.

Ruimtelijke ordening vraagt om ruimtelijke concepten

“Wanneer ruimtelijke planning weer een voorname rol wil in de ecociaal econommische ontwikkeling van Nederland moeten planologen weer concepten ontwikkelen die inspireren en richting geven. Zulke concepten krijgen echter alleen momentum als ze worden verbonden aan maatschappelijk vraagstukken.”

Ruimtelijke ordening vraagt om ruimtelijke concepten
De Nederlandse ruimtelijke ordening heeft dankzij haar sterke concepten een belangrijk rol gehad in ontwikkeling van Nederland. Denk daarbij aan ‘gebundelde deconcentratie’, ‘integrale stadsvernieuwing’ en natuurlijke ‘de compacte stad’. Het heeft geleid tot internationale naam en faam op het gebied van ruimtelijke inrichting. Dit komt omdat ruimtelijke ordening zich als kwartiermaker elke keer opnieuw wist te verbinden aan centrale vraagstukken voor de samenleving. Sinds de jaren ‘90 ontbreken richtinggevende concepten echter. De reden is dat de ruimtelijke ordening haar kracht, het toekomstbestendig inrichten van ruimte, sindsdien niet meer heeft weten te verbinden aan kernvraagstukken voor de ontwikkeling van Nederland. Het is tijd nieuwe concepten te ontwikkelen.  In het oplossen van fundamentele vraagstukken over onze waterhuishouding en energievoorziening kan ruimtelijke ordening namelijk een sleutelrol spelen.
Energielandschappen en concepten voor klimaatsveranderingen.
Nu we de 21ste eeuw zijn ingestapt komt een nieuwe ronde aan uitdagingen op ons af. Dat is ten eerste het energievraagstuk. Het besef dat fossiele brandstoffen worden uitgeput is groeiende en een transitie naar duurzame energievoorzieningen is ingezet. Zogenaamde lokale ‘renewables’, bijvoorbeeld biomassa, spelen daarbij een belangrijke rol. De toegankelijkheid van deze energiebron is echter niet altijd even vanzelfsprekend en de mogelijkheden zijn per gebied verschillend. Het gegeven dat daarmee toegang tot energie geografisch wordt bepaald, is een aanleiding voor een trekkersrol voor ruimtelijke ordening.
De klimaatverandering en de daaraan gekoppeld zeespiegelstijging is een tweede vraagstuk. De verschillen tussen droge en natte periodes worden groter, stormen worden heviger en met meer dan de helft van het land beneden NAP zullen we er zeker van moeten zijn dat we de zee buiten houden. Wat betekent dit voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland? Zijn de huidige locatiekeuzes nog wel verantwoord? Moeten andere inrichtingsprincipes centraal worden gesteld om beter met de klimaatuitdagingen om te gaan? Vragen die op z’n minst het overwegen waard zijn, zo niet om nieuwe innovatieve concepten vragen voor de ruimtelijke inrichting van toekomstig Nederland.
Concepten 2.0
Door concepten te ontwikkelingen die aansluiten bij de huidige uitdagingen in de ontwikkeling van toekomstig Nederland kan ruimtelijke planning haar positie in het maatschappelijk versterken. Dat betekent niet dat deze bijdrage moet worden gelezen als een omroep om grote, generieke concepten te ontwikkelen met een hoog ‘blauwdrukkarakter’. We zien de maatschappij tegenwoordig als een netwerk van onderling verbonden belangen, ideeën, angsten en idealen. Die beïnvloeden ook welke ruimtelijke keuzes noodzakelijk of wenselijk worden geacht. Daarmee is de relatie tussen ruimtelijke ordening en maatschappelijke processen altijd in ontwikkeling, oftewel dynamisch. Dit vraagt dus ook om dynamische concepten. Gebiedsgebonden, inhakend om verschillende maatschappelijke trends, open voor verandering en verbetering en op te delen in op zichzelf staande elementen zodat de robuustheid kan worden gewaarborgd. Kortom, concepten 2.0.

EU & RO

Binnen het debat van voor- en tegenstanders van versterking van de invloed van de Europese Unie zijn de tegenstanders vaak het meest hoorbaar. Vaak zijn de tegenargumenten financieel van aard of zijn ze gericht op de vele richtlijnen die vanuit de EU komen. Voor de ruimtelijke ordening zijn voornamelijk de milieurichtlijnen van belang, zoals onder andere de Habitat- en Vogelrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Omgevingslawaai en de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit (http://www.europadecentraal.nl/menu/777/Gebiedsontwikkeling_Ruimtelijke_ordening.html+ruimtelijke+ordening+europa&cd=1&hl=nl&ct=clnk&gl=nl&client=firefox-a). Deze richtlijnen hebben nogal eens een vertragend of blokkerend effect op ruimtelijke ontwikkelingen en dit wordt niet altijd op prijs gesteld. Het rijk en de provincies zijn bijvoorbeeld tegen strenge eisen aan bodemkwaliteit als gevolg van een mogelijke bodemkwaliteitrichtlijn, zie (http://www.binnenlandsbestuur.nl/Home/all/provincies-steunen-bezwaar-tegen-bodemrichtlijn.152810.lynkx). Deze richtlijn lijkt er nu toch te komen, maar zit nog vast in een juridische procedure.

 

Het nieuwe kabinet vindt trouwens vooral dat de Europese Unie veel kost en benadrukt dat de EU zich moet richten op haar kerntaken en zich niet moet bemoeien met zaken die beter in de lidstaten zelf geregeld kunnen worden. Hier vallen de milieunormen niet onder: het kabinet is voorstander van gelijke milieunormen in heel Europa. Zie voor meer info over het regeerakkoord met betrekking tot Europa het volgende artikel: http://www.europadecentraal.nl/content/2672/Regeerakkoord_vanuit_Europees_perspectief.html

 

In onderstaand rapport wordt de invloed van Europa op de ruimtelijk ordening in Nederland uitgebreid toegelicht: http://www.europadecentraal.nl/documents/dossiers/milieu/Gebiedsontwikkeling/OTB_Eindrapport_Impact_EU-regelgeving_op_NL_RO-praktijk.pdf

Uit dit rapport blijkt onder andere dat de EU regelgeving voornamelijk invloed heeft op de processen en niet zozeer op de inhoud. Juridische kennis wordt belangrijker en het maken van gedetailleerde plannen heeft de voorkeur, om zo aan te kunnen tonen dat de richtlijnen niet worden geschaad. Het rapport is gematigd positief over de EU richtlijnen, maar er moeten nog veel beleidsmatige aanpassingen gedaan worden om ze op de juiste manier te gebruiken.

 

Er zijn natuurlijk veel voorstanders van het vergroten van de rol van de Europese Unie. Dit is begrijpelijk, want betere samenwerking levert economisch veel op. Nederland profiteert natuurlijk erg van de weggevallen handelsgrenzen en het gemak van vrij reizen in Europa. Op veel terreinen is samenwerking met andere landen dan ook een goede zaak, maar het is nog maar de vraag of dit voor milieuaangelegenheden ook het geval is. Voor Nederland levert dit een beperkte bewegingsvrijheid op, die zoals gezegd (ruimtelijke) ontwikkelingen tegengaat. Nederland is zelf erg goed in staat haar eigen regels te bedenken en die zijn er dan ook voldoende op milieugebied. De implementatie van de als paddestoelen uit de grond schietende Europese richtlijnen kost bovendien veel geld en tijd. Gaan deze extra regels niet dwars tegen ons gevoel in in dit tijdperk van deregulering?

De stelling van vanavond is dan ook:

 

“De ruimtelijke ordeningspraktijk in Nederland zou niet belemmerd moeten worden door de milieurichtlijnen van de Europese Unie”