Is planoloog zijn een professie?

Planologen; ze hebben hun eigen opleidingen en vakbladen, spreken hun eigen vaktaal, en bij sommigen staat ‘ planoloog’ daadwerkelijk vermeld op hun visitekaartje. Maar in hoeverre is zijn van ruimtelijk planner een beroep?

Als bijdrage aan een onderzoeksproject van Tuna Tasan en Willem Korthals-Altes besprak Ekistics deze vraag. Een duidelijk ‘ja’ of ‘nee’ kwam niet uit de discussie naar voren en dat maakt het des te interessanter.

Wat is het dat de planoloog, planoloog maakt? Ze zijn ‘tolken’, zo werd gesteld. Ze verbinden verschillende actoren, ieder met hun eigen taal en sprekend vanuit hun eigen perspectief, rond een ruimtelijke vraagstuk. Tegelijkertijd werd geopperd dat planologen vooral navigators zijn. Ze zoeken naar wat kan, binnen de grenzen van wat mag. Dat vraagt kennis over juridische kaders en financiële mechanieken, en ervaring en creativiteit om heir handig in te manoeuvreren. Een derde perspectief op de rol van de planoloog is die van ruimtelijk visionair. Daarbij gaat het om het verkenning van wenselijke ontwikkelingspaden en het smeden van coalities rond deze paden.

De vraagt blijft, in hoeverre de kennis, vaardigheden en houding die aan deze rollen verbonden zijn, specifieke capaciteiten van planologen zijn. Een blik op het werkveld leert ons dat ook economen, sociologen, politicologen, ingenieurs en juristen het ruimtelijk ontwikkelen van Nederland tot hun beroep hebben gemaakt. Ze zijn ‘stiekem’ een beetje planoloog geworden!

Advertenties

Stedelijke vernieuwing en de rol van woningbouwcorporaties

De stedelijke vernieuwingspraktijk staat op de kop. In het bijzonder de rol van woningcorporaties wordt kritisch tegen het licht gehouden. Daarvoor zijn talloze aanleidingen. Denk aan het zeer kritische rapport “Ver van huis” van de Parlementaire Enquêtecommissie, de definitief geworden verhuurdersheffing, de economische crisis, de vergrijzing van de bevolking en verdunning van huishoudens, en ook een wijziging van de Woningwet staat op de rol. Een herijking van de rol van woningbouwcorporaties is daarmee noodzakelijk.

De leden van Ekistics gingen daarom in debat over de rol van woningbouwcorporatie in toekomstige stedelijke vernieuwingsprogramma’s. De stelling luidde:

“Een woningbouwcorporatie dient zich sec te richten op het aanbieden van huurwoningen en het verdedigen van de belangen van de huren. Dit heeft als consequentie dat zij de rol als ‘integrale gebiedsmanager’, of de ambitie deze te vervullen, achter zich dient te laten.”

Er werd verdeeld gereageerd op deze stelling. Enerzijds werd betoogd dat woningbouwcorporaties zich meer moeten opstellen als belangenvertegenwoordigers van huurders en zich minder moeten laten verleiden om een leidende rol te nemen in integrale gebiedsvernieuwing. Een stringente afbakening van het takenpakket past hierbij. Dit zou ook het vaak ingebakken verbond tussen gemeenten en woningcorporaties verbreken en meer ruimte bieden aan andere partijen in stedelijke vernieuwingsprogramma’s. Anderzijds waren er zorgen over hoe het speelveld van actoren zich dan zou ontwikkelen. Hoe wordt een integrale aanpak geborgd? Wie pakt de handschoen op? En verdwijnt hiermee niet een belangrijke partner voor gemeenten niet te veel naar de achtergrond? Ekistics zal de ontwikkelingen op de voet blijven volgen.

Ekistics and politics

Met de gemeenteraadsverkiezingen voor de deur heeft Ekistics kleur bekend. De leden van het dispuut bogen zich op 7 maart over de vraag hoe een verkiezingsprogramma van Ekistics er uit zou zien als mee zou worden gedaan aan de Gemeenteraadsverkiezingen in Groningen.

Dat het een programma werd met een grote nadruk op ruimtelijke onderwerpen was te verwachten. Burgers betrekken bij de besluitvorming, de aanpak van de Zuidelijke Ringweg, het inzetten op een eigen energie productie, bussen van de Grote Markt, Stedelijke gastvrijheid, een voortdurende (planologische) discussie over de toekomst van de stad, een zelf lerende stad en Studentenhuisvesting. Een grote diversiteit aan onderwerpen en speerpunten passeerde de revue. Ook de campagne slogan kwam nog even ter sprake  waarbij de leus: “in Groningen spreken we Gronings” echter niet op een meerderheid kon rekenen.

Regionale ruimtelijke plannen – 5 jaar eerder…

Op vrijdag 10 januari was het zover, de eerste dispuutsavond van het nieuwe jaar. Een nieuw jaar dus tijd om vooruit te kijken. De dispuutsavond was gebaseerd op het tv-programma ‘5 jaar later…’, waarin wordt teruggekeken op voorspellingen en verwachtingen die 5 jaar eerder zijn uitgesproken.

Met twaalf Ekistici aan tafel zijn verschillende regionale ruimtelijke plannen/vraagstukken besproken en wat hiervan verwacht kan worden in de komende 5 jaar. Beweringen als een 25% verlaging van de gaswinning, een fusie van de provincies Friesland en Groningen (dat nooit?), een duurzaam en groeiend Airport Eelde en de ‘tramhalte Het Forum’ vliegen over tafel. Ook verwachtingen op persoonlijk vlak en de toekomst van Ekistics worden besproken. Alle verwachtingen en voorspellingen worden vastgelegd.

Want over 5 jaar, in het tweede lustrumjaar van Ekistics, zal het tijd worden om op deze verwachtingen terug te kijken. Er zullen ongetwijfeld ook onverwachte zaken gebeuren in de komende jaren. Zal de toekomst van de provincie en stad Groningen goed zijn ingeschat wat betreft ruimtelijke vraagstukken en ontwikkelingen?

Een verder verslag van de discussie zal volgen, ‘5 jaar later…’

Nationaal Energieakkoord ademt (te) weinig ambitie

Afgelopen vrijdagavond 5 juli discussieerden leden van Ekistics met elkaar over het Nationale Energieakkoord. De aanleiding hiertoe vormde de uitgelekte, voorlopige inhoud van dit akkoord.

Begin juli maakte de NOS de belangrijkste afspraken bekend die staan opgenomen in de concepttekst van het Energieakkoord. Naar aanleiding hiervan is binnen Ekistics een discussie op gang gekomen over potentiële bijdrage van dit akkoord aan een daadwerkelijke versnelling van de energietransitie in Nederland. De stelling luidt: Op basis van het uitgelekte energieakkoord is de transitie in Nederland naar een duurzame energievoorziening gedoemd te mislukken.”

De stelling levert onder de aanwezige Ekistici een levendige discussie op. De meeste aanwezigen lijkt het eens te zijn met deze stelling. Het belangrijkste argument hiervoor is dat de huidige kabinetsdoelstelling – zestien procent duurzame energie in 2020 – geheel wordt losgelaten in het Energieakkoord. Daarmee is te verwachten dat Nederland nog langer achter blijft lopen in Europa en deze situatie is niet wenselijk. Hoe langer we wachten, hoe minder we profiteren van vernieuwingen en daaraan verbonden economische voordelen (bv. werkgelegenheid en het vermarkten van kennis).

Een ander argument is dat er belangrijke zaken ‘over het hoofd’ worden gezien. In het akkoord worden geen afspraken gemaakt over de benutting van restwarmte en energiebesparing in de energie-intensieve industrie, terwijl hier nog een wereld te winnen is.

Tot slot vinden sommigen dat er meer aandacht moet komen voor de naleving van het akkoord en het financieel instrumentarium gekoppeld aan de gemaakte afspraken. Hoe kan lokale duurzame energieopwekking – gelet op mogelijkheden voor salderen – voor langere tijd aantrekkelijk worden gemaakt? Hoe kan de markt voor energiebesparende maatregelen bij huishoudens écht worden aangejaagd?

Onder leiding van de SER wordt door de betrokken partijen, waaronder vakbewegingen, werkgevers, milieuorganisaties en belangengroeperingen gestaag doorgewerkt om te komen tot een Nationaal Energieakkoord. Het definitieve akkoord wordt medio juli vastgesteld. In de omschakeling naar een duurzame energiehuishouding is ‘ruimte’ een expliciete factor en daarmee interessant discussievoer voor planologen.

Jonge planologen zoeken nieuwe rol

Nu de overheid zich deels terug trekt uit de ruimtelijke ordening en de bouwsector op z’n gat ligt, is het voor startende planologen moeilijker een eerste baan te vinden. Tegelijkertijd verschuift met de toenemende aandacht voor zelforganisatie, bottom-up stedenbouw en organische ontwikkelen het speelveld. Vraaggestuurde ontwikkelingen staan centraal en dat biedt kansen voor startende planologen. Daarvoor dienen zij zich wel een andere rol aan te meten.

De leden van Ekistics discussieerden met elkaar of deze redenering hout snijdt en hoe deze rol dan invulling zou moeten krijgen. Startpunt was de stelling dat binnen de hierboven geschetste context jonge planologen zelf initiatieven moeten starten, collectieve dienen te vormen en tot visies en plannen kunnen komen. Kortom, activistische planning met de jonge planoloog als aanvoerder!

Er zijn veel sprekende voorbeelden waarbij planologen, stedenbouwers en andere jonge ruimtelijke professionals, al dan niet in samenwerking met anderen, zelf projecten zijn gestart. Vanuit hun passie hebben zijn vervolgens andere partijen warmgemaakt voor nieuwe onderzoeksvragen en opdrachten  en zo hun uiteindelijke eigen werk gegenereerd. Denk aan MAAK050 in Groningen of De Luchtsingel van ZUS in Rotterdam. Meer voorbeelden zijn te vinden op  De Energieke Stad of Kracht in NL.

De vraag is wie de sprong in het diepe aandurft. Het lijkt in eerste instantie minder in de genen van de beleidsmatig en bestuurskundig getrainde planologen te zitten in vergelijking met hun collega’s in de architectuur en stedenbouw. Daarnaast is het een moeilijke afweging wanneer energie te steken in sollicitaties en wanneer in de ontwikkeling van eigen projecten. Tegelijkertijd bezitten planologen met hun integrale blik en verbindend vermogen juist belangrijke kwaliteiten om initiatieven op te starten en naar een hoger plan te tillen. Daarbij biedt de huidige technologie veel kansen ideeën uit te werken en netwerken te vormen zonder grote financiële voorinvesteringen te moeten doen. Sommige aanwezigen roken hun kans en weten zich met Ekistics verzekerd van een uitstekend netwerk om hun initiatieven tot een succes te maken.

Zelfvoorziening in voedsel

22 Maart jongstleden kruisenden de leden van ekistics de degens over de haalbaarheid van zelfvoorzienende steden en dorpen. Er waren veel aanwezigen en dit zorgde voor een vrolijke boel. Na eindeloos kletsen over ervaringen uit Nieuw-Zeeland en over vissen werd het dan toch tijd om aan de discussie te beginnen die zich in het bijzonder richtten op zelfvoorzienendheid in voedsel.  Het ging om de vraag of het tijd is dat Nederland zich ook in gaat zetten in de zelfvoorziening.

Dit zorgde voor de nodige discussie, want is dit wel haalbaar? En moeten we dat willen? Dit zou bijvoorbeeld betekenen dat we alleen nog maar seizoensgebonden producten mogen eten. Ook was een van de punten dat ook al heeft Nederland het juiste klimaat voor een bepaald product, dit betekend niet automatisch dat het in je eigen tuin ook goed groeit. Tevens werd stilgestaan bij het verlies van schaalvoordeel wanneer gemeenschappen hun eigen voedsel gaan verbouwen, maar dat daar tegenover staat dat het zelf verbouwen van voedsel een beter bewustzijn kan opleveren over de productie van voedsel en wat als een eerlijke prijs kan worden beschouwd. We waren het er in ieder geval over eens dat dit bewustzijn cruciaal is en mensen meer dienen te weten van voedsel, het productieproces en waar het vandaan komt.

Kortom, een mooie discussie over een onderwerp wat misschien wel steeds meer een rol gaat spelen in Nederland.